De of het weekend? Dit is het juiste lidwoord

Het juiste lidwoord bij weekend is het. Je zegt dus “het weekend”, niet “de weekend”. Dit is bevestigd door Van Dale, de gezaghebbende woordenboekautoriteit voor de Nederlandse taal.

Waarom “het weekend” en niet “de weekend”?

In het Nederlands heeft elk zelfstandig naamwoord een lidwoord: “de” of “het”. Die keuze volgt geen strikte logica die je altijd zelf kunt redeneren. Je moet het gewoon weten of opzoeken. Voor weekend geldt: het is een onzijdig woord, en onzijdige woorden krijgen altijd “het”. Van Dale bevestigt dit expliciet.

Het woord weekend is geleend uit het Engels, waar het ook één woord is: “the weekend”. In het Nederlands is het overgenomen als onzijdig zelfstandig naamwoord, net als meer Engelse leenwoorden die eindigen op een klinker of een vaste klank. Denk aan “het feest”, “het moment” of “het evenement”. Dat patroon helpt je onthouden dat weekend in dezelfde categorie valt.

Veelgemaakte fout: “de weekend”

De fout “de weekend” komt veel voor, ook bij mensen die heel goed Nederlands spreken. Dat is niet zo vreemd. In het dagelijks taalgebruik hoor je het lidwoord soms niet goed, en “de” is sowieso het meest gebruikte lidwoord in het Nederlands. Zo’n tweederde van alle Nederlandse zelfstandige naamwoorden krijgt “de”, dus de kans dat je “de” gokt, is groot. Toch is het bij weekend fout.

In de meervoudsvorm speelt dit niet. “De weekenden” is gewoon correct, want meervouden krijgen altijd “de”, ongeacht of het enkelvoud “de” of “het” heeft. Dus: het weekend, maar de weekenden.

Snel onthouden: de of het?

Er is geen waterdichte regel voor alle Nederlandse lidwoorden, maar een paar ezelsbruggetjes helpen je bij twijfelgevallen:

  • Verkleinwoorden krijgen altijd “het”: het weekendje.
  • Meervouden krijgen altijd “de”: de weekenden.
  • Bij twijfel over het enkelvoud: zoek het op in Van Dale of op welklidwoord.nl.

Voor weekend hoef je niet meer te twijfelen: het is en blijft het weekend.